weerschijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weer·schijn

Werkwoord

vervoeging van
weerschijnen

weerschijn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weerschijnen
    • Ik weerschijn. 
  2. gebiedende wijs van weerschijnen
    • Weerschijn! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weerschijnen
    • Weerschijn je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be