verzadigden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·za·dig·den

Werkwoord

vervoeging van
verzadigen

verzadigden

  1. meervoud verleden tijd van verzadigen
    • Wij verzadigden. 
    • Jullie verzadigden. 
    • Zij verzadigden.