veroordeelde
Uiterlijk
- ver·oor·deel·de
| vervoeging van |
|---|
| veroordelen |
veroordeelde
- enkelvoud verleden tijd van veroordelen
- Ik veroordeelde.
- Jij veroordeelde.
- Hij, zij, het veroordeelde.
- Ik veroordeelde.
- ▸ Belangenorganisatie COC zegt dat ook de regenbooggemeenschap waardering had voor hem, omdat hij homoseksualiteit en transgender personen een stuk minder veroordeelde dan zijn voorgangers. "Hij sprak geen oordeel uit over lhbti+, hij stond de zegen voor paren van gelijk geslacht toe, net als de doop voor transgender mensen. Dat is door veel mensen in de regenbooggemeenschap zeer gewaardeerd", zegt een woordvoerder van COC tegen het ANP.[1]
- verbogen vorm van veroordeeld, voltooid deelwoord van veroordelen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | veroordeelde | veroordeelden |
| verkleinwoord |
- iemand die is veroordeeld
- Het woord veroordeelde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑
Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS