verkortte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·kort·te

Werkwoord

vervoeging van
verkorten

verkortte

  1. enkelvoud verleden tijd van verkorten
    • Ik verkortte. 
    • Jij verkortte. 
    • Hij, zij, het verkortte.