verhuisde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·huis·de

Werkwoord

vervoeging van
verhuizen

verhuisde

  1. enkelvoud verleden tijd van verhuizen
    • Ik verhuisde. 
    • Jij verhuisde. 
    • Hij, zij, het verhuisde.