tikkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tik·kel

Werkwoord

vervoeging van
tikkelen

tikkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tikkelen
    • Ik tikkel. 
  2. gebiedende wijs van tikkelen
    • Tikkel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tikkelen
    • Tikkel je? 

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.