sproot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sproot

Werkwoord

vervoeging van
spruiten

sproot

  1. enkelvoud verleden tijd van spruiten
    • Ik sproot. 
    • Jij sproot. 
    • Hij, zij, het sproot. 

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be