slobber
Uiterlijk
- slob·ber
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | slobber | slobbers |
| verkleinwoord | slobbertje | slobbertjes |
| vervoeging van |
|---|
| slobberen |
slobber
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slobberen
- Ik slobber.
- gebiedende wijs van slobberen
- Slobber!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slobberen
- Slobber je?
- Het woord slobber staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "slobber" herkend door:
| 96 % | van de Nederlanders; |
| 78 % | van de Vlamingen.[4] |