rencarder
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| rencarder |
rencardais |
rencardé |
| eerste groep | volledig | |
rencarder
- (spreektaal) tippen, inseinen
- «Je me suis rencardé pour l’interro de demain.»
- Ik heb me laten tippen voor de overhoring van morgen. [2]
- «Je me suis rencardé pour l’interro de demain.»