purperde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pur·per·de

Werkwoord

vervoeging van
purperen

purperde

  1. enkelvoud verleden tijd van purperen
    • Ik purperde. 
    • Jij purperde. 
    • Hij, zij, het purperde.