proclameerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·cla·meer·de

Werkwoord

vervoeging van
proclameren

proclameerde

  1. enkelvoud verleden tijd van proclameren
    • Ik proclameerde. 
    • Jij proclameerde. 
    • Hij, zij, het proclameerde.