Naar inhoud springen

prang

Uit WikiWoordenboek
  • prang
enkelvoud meervoud
naamwoord prang prangen
verkleinwoord

deprangv/m

  1. voorwerp dat klemt
  2. (figuurlijk) situatie waarin men vastzit in een onaangename situatie
vervoeging van
prangen

prang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prangen
    • Ik prang. 
  2. gebiedende wijs van prangen
    • Prang! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prangen
    • Prang je? 
71 %van de Nederlanders;
68 %van de Vlamingen.[4]