pivoteerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·vo·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
pivoteren

pivoteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van pivoteren
    • Ik pivoteerde. 
    • Jij pivoteerde. 
    • Hij, zij, het pivoteerde.