piloter
Uiterlijk
- pi·lo·ter
piloter, mv
- onbepaalde vorm nominatief meervoud van pilot
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| piloter |
pilotais |
piloté |
| eerste groep | volledig | |
piloter
- overgankelijk (scheepvaart) een schip besturen
- overgankelijk (luchtvaart) een vliegtuig besturen; piloot zijn van
- overgankelijk (sport) een auto rijden (in de autosport)
- overgankelijk (figuurlijk) een land, bedrijf,... besturen
- onovergankelijk (spreektaal) goed kunnen rijden
- «Jean-Bap-tiste pilote comme un pro!»
- Jean-Baptiste kan rijden als een professional! [1]
- «Jean-Bap-tiste pilote comme un pro!»
Categorieën:
- Woorden in het Deens
- Woorden in het Deens van lengte 7
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Deens
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 7
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Achtervoegsel -er in het Frans
- Werkwoord in het Frans
- Overgankelijk werkwoord in het Frans
- Scheepvaart in het Frans
- Luchtvaart in het Frans
- Sport in het Frans
- Figuurlijk in het Frans
- Onovergankelijk werkwoord in het Frans
- Spreektaal in het Frans