pendelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pen·del·de

Werkwoord

vervoeging van
pendelen

pendelde

  1. enkelvoud verleden tijd van pendelen
    • Ik pendelde. 
    • Jij pendelde. 
    • Hij, zij, het pendelde.