overhang
Uiterlijk
- over·hang
| vervoeging van |
|---|
| overhangen |
overhang
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overhangen
- ... dat ik overhang.
- Het woord overhang staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.