ontvouwden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·vouw·den

Werkwoord

vervoeging van
ontvouwen

ontvouwden

  1. meervoud verleden tijd van ontvouwen
    • Wij ontvouwden. 
    • Jullie ontvouwden. 
    • Zij ontvouwden.