naaide aaneen
Uiterlijk
- naai·de aan·een
| vervoeging van |
|---|
| aaneennaaien |
naaide aaneen
- enkelvoud verleden tijd van aaneennaaien
- Ik naaide aaneen.
- Jij naaide aaneen.
- Hij, zij, het naaide aaneen.
- Ik naaide aaneen.
| vervoeging van |
|---|
| aaneennaaien |
naaide aaneen