lieferten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • lie·fer·ten

Werkwoord

lieferten

  1. eerste persoon meervoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van liefern

lieferten

  1. derde persoon meervoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van liefern

Werkwoord

lieferten

  1. eerste persoon meervoud verleden tijd aanvoegende wijs bedrijvende vorm van liefern

lieferten

  1. derde persoon meervoud verleden tijd aanvoegende wijs bedrijvende vorm van liefern
Afgeleide begrippen