leerde
Uiterlijk
- leer·de
| vervoeging van |
|---|
| leren |
leerde
- enkelvoud verleden tijd van leren
- Ik leerde.
- Jij leerde.
- Hij, zij, het leerde.
- Ik leerde.
- ▸ We praatten de hele dag en hij leerde me hoe ik veilig een gevaarlijke sneeuwbrug over kon steken door mijn wandelstokken horizontaal te houden voor het geval de sneeuw onder me wegviel en ik in de overdekte ijsrivier terecht zou komen.[1]
- ▸ Jaren en jaren, lang voordat ik jou leerde kennen.[2]
- ▸ Het was eigenaardig, dacht Olive, dat je ermee leerde leven; dat je wist wat er allemaal gebeurde en toch niet weg wilde.[2]
- Het woord leerde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- 1 2 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704