learn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to learn
he/she/it learns
verleden tijd learned
voltooid
deelwoord
learned
onvoltooid
deelwoord
learning
gebiedende wijs learn

Werkwoord

learn

  1. leren
    «He learned Chinese.»
    Hij leerde Chinees.
  2. vernemen
    «He learned that his wife had cancer.»
    Hij vernam dat zijn vrouw kanker had.