kwamen
Uiterlijk
- kwa·men
| vervoeging van |
|---|
| komen |
kwamen
- meervoud verleden tijd van komen
- Wij kwamen.
- Jullie kwamen.
- Zij kwamen.
- Wij kwamen.
- ▸ Door een kier onder de deur kwamen er steeds sneeuwvlokken naar binnen gewaaid en ik voelde mijn slaapzak langzaam vochtig worden.[1]
- ▸ Ze keek naar Olive achter de ezel en naar Isaacs gelaatstrekken die tot leven kwamen op het houten paneel voor haar.[2]
- ▸ Met een gewichtig en blij gevoel kwamen ze aan bij het scheepvaartkantoor, en ze spraken met de muilezeldrijver af wanneer hij hen weer moest ophalen.[2]
- ▸ In de avondschemering kwamen ze weer terug op de finca, moe maar voldaan.[2]
- Het woord kwamen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- 1 2 3 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704