kaartspeelt

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaart·speelt

Werkwoord

vervoeging van
kaartspelen

kaartspeelt

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaartspelen
    • ... dat jij kaartspeelt. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaartspelen
    • ... dat hij kaartspeelt.