Naar inhoud springen

jouir

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jouir
jouissais
joui
tweede groep volledig

jouir

  1. genieten
    «La pâleur de la reine augmenta encore, s’il était possible ; le roi s’en aperçut et en jouit avec cette froide cruauté qui était un des mauvais côtés de son caractère.»[2]
    De koningin werd nog bleker, als dat mogelijk was; de koning merkte het op en genoot ervan met die koude wreedheid die een van de slechte kanten was van zijn karakter.
  2. (spreektaal) klaarkomen, een orgasme hebben [3]