jok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jok

Werkwoord

vervoeging van
jokken

jok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jokken
    • Ik jok. 
  2. gebiedende wijs van jokken
    • Jok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jokken
    • Jok je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
83 % van de Vlamingen.