jok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jok

Werkwoord

vervoeging van
jokken

jok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jokken
    • Ik jok. 
  2. gebiedende wijs van jokken
    • Jok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jokken
    • Jok je? 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be