invecht

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·vecht

Werkwoord

vervoeging van
invechten

invecht

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van invechten
    • ... dat ik invecht. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van invechten
    • ... dat jij invecht. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van invechten
    • ... dat hij invecht.