Naar inhoud springen

infecten

Uit WikiWoordenboek
  • in·fec·ten

deinfectenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord infect


vervoeging van
infectar

infecten

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van infectar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van infectar