hoofden
Uiterlijk
- hoof·den
de hoofden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hoofd
- ▸ Ik kon niet horen wat ze zeiden, ik kon alleen hun lichaamstaal bestuderen, het ritueel van een zak waarop werd geklopt, hoofden die zich naar elkaar toe bogen als voor een kus terwijl de aansteker werd opgehouden en de sigaret werd aangestoken, een been dat koket naar achteren werd gestoken en tegen een muur geplaatst.[1]
- ▸ Ik draai me weer naar het raam, kijk over de hoofden van de talloze eters heen naar de kerktoren en schat de afstand in.[2]
| vervoeging van |
|---|
| hoven |
hoofden
- meervoud verleden tijd van hoven
- Wij hoofden.
- Jullie hoofden.
- Zij hoofden.
- Wij hoofden.
- Het woord hoofden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280