grapjaste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grap·jas·te

Werkwoord

vervoeging van
grapjassen

grapjaste

  1. enkelvoud verleden tijd van grapjassen
    • Ik grapjaste. 
    • Jij grapjaste. 
    • Hij, zij, het grapjaste.