godallemachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • god·al·le·mach·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • God is almachtig

Tussenwerpsel

godallemachtig

  1. (krachtterm) een uitroep van verbazing of medelijden
    • Godallemachtig wat is het hier een puinzooi geworden. 
    • De dag begint. Niets aan te doen. Niets, door niets en niemand niet. Dat is nog wel het ergste, geen ochtend zonder deze allesverslindende teleurstelling: weer een dag. Altijd en eeuwig van voren af aan, godallemachtig nog aan toe. [1] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Harstad, Johan Max, Mischa & Het Tet-offensief 2017 ISBN 9789057598494 pagina 13
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be