gluipte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gluip·te

Werkwoord

vervoeging van
gluipen

gluipte

  1. enkelvoud verleden tijd van gluipen
    • Ik gluipte. 
    • Jij gluipte. 
    • Hij, zij, het gluipte.