gijzelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gij·zel·de

Werkwoord

vervoeging van
gijzelen

gijzelde

  1. enkelvoud verleden tijd van gijzelen
    • Ik gijzelde. 
    • Jij gijzelde. 
    • Hij, zij, het gijzelde.