forudsætter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deens

Woordafbreking
  • for·ud·sæt·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Deense zelfstandig-naamwoordsvorm met het voorvoegsel forud-
Naar frequentie 50888

Werkwoord

forudsætter

  1. tegenwoordige tijd van forudsætte