Naar inhoud springen

fignoler

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fignoler
fignolais
fignolé
eerste groep volledig

fignoler

  1. (spreektaal) zeer zorgvuldig, tot in de puntjes doen
    «Tu verrais comment ce mécanicien a fignolé le tableau de bord de ma caisse, une vraie œuvre d’art!»
    Je zou eens moeten zien hoe zorgvuldig die monteur het dashboard van mijn wagen heeft afgewerkt, een echt kunstwerk! [1]