Naar inhoud springen

fauche

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: fauché
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  fauche     la fauche     fauches     les fauches  

fauche v

  1. (spreektaal) diefstal
    «Quand j’bossais à l’entrepôt, il y avait de la fauche, alors la direction a installé des caméras.»
    Toen ik in het magazijn werkte werd er gestolen, toen heeft de directie camera's geïnstalleerd. [2]
vervoeging van
faucher

fauche

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van faucher
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van faucher
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van faucher