faal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • faal

Werkwoord

vervoeging van
falen

faal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van falen
    • Ik faal. 
  2. gebiedende wijs van falen
    • Faal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van falen
    • Faal je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.