exclameerde
Uiterlijk
- Geluid: exclameerde (hulp, bestand)
- ex·cla·meer·de
| vervoeging van |
|---|
| exclameren |
exclameerde
- enkelvoud verleden tijd van exclameren
- Ik exclameerde.
- Jij exclameerde.
- Hij, zij, het exclameerde.
- Ik exclameerde.
| vervoeging van |
|---|
| exclameren |
exclameerde