dixi
Uiterlijk

| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dixi | dixi's |
| verkleinwoord |
- verplaatsbaar tijdelijk toilet voor b.v. festivals en bouwplaatsen
- ▸ 'O, we hebben net seks gehad in die dixi daar.' Hij wijst met een stalen gezicht naar een oranje wc-hokje, achter een heleboel hekken die het festival van het backstagegebied scheiden.[1]
1. verplaatsbaar tijdelijk toilet
- Het woord dixi staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑
Weblink bron Liz Hartevelt“Contrast” (2024), Ambo/Anthos, ISBN 9789047207184, p. 3
| vervoeging van |
|---|
| dīcĕre |
dīxī
- actief indicatief perfectum, eerste persoon enkelvoud van dīcĕre