Naar inhoud springen

dixi

Uit WikiWoordenboek
Een dixi
enkelvoud meervoud
naamwoord dixi dixi's
verkleinwoord
  1. verplaatsbaar tijdelijk toilet voor b.v. festivals en bouwplaatsen
     'O, we hebben net seks gehad in die dixi daar.' Hij wijst met een stalen gezicht naar een oranje wc-hokje, achter een heleboel hekken die het festival van het backstagegebied scheiden.[1]
  1. Bronlink Weblink bron
    Liz Hartevelt
    “Contrast” (2024), Ambo/Anthos, ISBN 9789047207184, p. 3
vervoeging van
dīcĕre

dīxī

  1. actief indicatief perfectum, eerste persoon enkelvoud van dīcĕre