déménager
Uiterlijk
- geattesteerd sinds de 13de eeuw als Oudfrans desmanagier; van ménage met het voorvoegsel dé- en met het achtervoegsel -er [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| déménager |
déménageais |
déménagé |
| eerste groep | volledig | |
déménager
- verhuizen
- (spreektaal) raaskallen, onzin uitslaan
- «Mais tu déménages?»
- Ben je niet goed snik?. [2]
- «Mais tu déménages?»
- (spreektaal) de boel op stelten zetten
- «Ça déménage!»
- Dat gaat lekker zo! [2]
- «Ça déménage!»