bungel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bun·gel

Werkwoord

vervoeging van
bungelen

bungel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bungelen
    • Ik bungel. 
  2. gebiedende wijs van bungelen
    • Bungel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bungelen
    • Bungel je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.