bezwieke

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /bəˈzwiːkɐ/ (Etsbergs)
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezwieke
bezweek
bezweeke
klasse 1 volledig

Werkwoord

bezwieke

  1. bezwijken
    «Hae bezweek achter die lang wanjeling.»
    Hij bezweek na de lange wandeling.