bezweek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zweek

Werkwoord

vervoeging van
bezwijken

bezweek

  1. enkelvoud verleden tijd van bezwijken
    • Ik bezweek. 
    • Jij bezweek. 
    • Hij, zij, het bezweek. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.