beoefen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·oe·fen

Werkwoord

vervoeging van
beoefenen

beoefen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beoefenen
    Ik beoefen.
  2. gebiedende wijs van beoefenen
    Beoefen!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beoefenen
    Beoefen je?