baguenaude
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| baguenaude | la baguenaude | baguenaudes | les baguenaudes |
baguenaude v
- (spreektaal) wandeling(etje) [1]
| vervoeging van |
|---|
| baguenauder |
baguenaude
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van baguenauder
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van baguenauder
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van baguenauder