babysitte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·by·sit·te

Werkwoord

vervoeging van
babysitten

babysitte

  1. enkelvoud verleden tijd van babysitten
    • Ik babysitte. 
    • Jij babysitte. 
    • Hij, zij, het babysitte.