arraigue
Uiterlijk
| vervoeging van |
|---|
| arraigar |
arraigue
- aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van arraigar
- aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van arraigar
- gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van arraigar
| vervoeging van |
|---|
| arraigarse |
arraigue
- aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van arraigarse
- aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van arraigarse
- gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van arraigarse