akkerde
Uiterlijk
- ak·ker·de
| vervoeging van |
|---|
| akkeren |
akkerde
- enkelvoud verleden tijd van akkeren
- Ik akkerde.
- Jij akkerde.
- Hij, zij, het akkerde.
- Ik akkerde.
- Het woord akkerde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.