afruil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ruil

Werkwoord

vervoeging van
afruilen

afruil

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afruilen
    • ... dat ik afruil. 

Gangbaarheid

47 % van de Nederlanders;
38 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be