afloopt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·loopt

Werkwoord

vervoeging van
aflopen

afloopt

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aflopen
    • ... dat jij afloopt. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aflopen
    • ... dat hij afloopt.