achteroversla
Uiterlijk
- ach·ter·over·sla
| vervoeging van |
|---|
| achteroverslaan |
achteroversla
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van achteroverslaan
- ... dat ik achteroversla.
- (in een bijzin) aanvoegende wijs van achteroverslaan
- ... dat men achteroversla.
- ▸ Ik knik en lach beleefd, terwijl ik in een paar slokken de wijn achteroversla.[1]
- Het woord achteroversla staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340